De zon stond hoog aan de hemel
Piet zat op een bankje in Laren. Het was 14 juni 1917 en de kunstenaar zat in een dip. Noem het een schildersinzinking, als je wilt. De vagebond naast hem fluisterde zacht en kraste iets op een stuk papier. Blokken. Blauw, rood en geel. ’Wat is dat?’ vroeg Piet aan de donkerbruin ogende gast. ‘Een logo’, mompelde de zwerver. ‘Ooit open ik een gasthuis voor mensen zoals ik. Ooit.’ De vagebond stond op en liep weg. Zijn schets vloog weg over het grindpad. De schilder haastte zich het papier op te rapen. Mondriaan wist wat hij moest doen.
Telefoon. John. Woede. Verdriet.
‘Kom alsjeblieft terug’, smeekte hij. Misty, Bud’s kleindochter, keek verveeld naar haar omgeving. Ze blies een bel van haar kauwgom. Hoe meelijwekkend kunnen politici zijn. ‘Ik ben hier gelukkig, John. Barry is goed voor mij. We gaan trouwen en veel kinderen krijgen.’ De rijzende ster van de Amerikaanse politiek was wanhopig. Hij smeekte, huilend en schreeuwend. ‘Weet je wat?’, zei Misty, ‘Ik geef je het nummer van een goeie vriendin van mij. Je zult haar fantastisch vinden.’ Uiteindelijk gaf John toe. Nog met opgedroogde tranen op zijn wangen, draaide hij het nummer. ‘Met Marilyn’, klonk het. Wow, dacht John, wat een zwoele stem...
Op een mistige dinsdagochtend in mei 1914
John Coltrane, eigenaar van de Coltrain Tavern in Little Italy – New York, vond een briefje op de bar. Nadat hij zijn eggs and bacon weggekauwd had, schonk hij zichzelf een bourbon in en opende het dichtgevouwen briefje met trillend handschrift: ‘Aan John en al die andere loosers’. Het handschrift was moeilijk te ontcijferen, maar uiteindelijk las Coltrain: ‘Ik ben naar India. Misschien kom ik ooit terug in dit gat. Voor ondertussen; wordt wijzer’. John tuurde uit het raam. ‘Wijzer?’, mompelde hij, ‘Weiser?’. Een biermerk was geboren.